Vrijhandel dondert van zijn voetstuk

In Europa was er alle heisa over de ondertekening van het vrijhandelsakkoord met Canada (CETA). In de VS werd de herziening van vrijhandelsakkoorden een verkiezingsthema. Op korte tijd lijkt er uit alle hoeken kritiek te komen op de vrije wereldhandel.

Vanuit Europa gezien was het misschien niet altijd te merken, maar vrije handel was wel degelijk een centraal thema tijdens de Amerikaanse verkiezingscampagne. Vooral over het Nafta-akkoord uit 1993 was er veel controverse. Meer dan twintig jaar nadat het van kracht werd, wordt de Amerikaanse arbeidersklasse geconfronteerd met de gevolgen van deze handelsovereenkomst tussen de VS, Canada en Mexico.

De onafhankelijke denktank Economic Policy Institute (EPI) berekende dat er tussen 1993 en 2002 879.280 jobs verloren gingen als rechtstreeks gevolg van de concurrentie en de import van buitenlandse goederen door Nafta. Nochtans werden destijds twintig miljoen nieuwe jobs beloofd …

Een trieste balans, dat nog niet eens rekening houdt met het gegeven dat de lonen van de Amerikaanse arbeiders in Nafta-sectoren daalden onder de concurrentiedruk. Door NAFTA konden Amerikaanse multinationals hun fabrieken vlot verplaatsen naar Mexico. Daar profiteerden ze van lagere lonen, goedkopere sociale zekerheid en lossere milieunormen. Gevolg: de winsten van de grote bedrijven stegen flink, maar voor de werknemers – aan beide zijden van de grens – kwamen er slechtere arbeidsvoorwaarden. De Amerikaanse arbeiders zagen hun jobs verdwijnen en hun lonen dalen (zie grafiek over de loonevolutie in de VS ten opzichte van het bbp tussen 1994 en 2013). De Mexicaanse arbeiders verloren hun traditionele afzetgebieden en werden verplicht om tegen een zeer laag loon te werken voor de Amerikaanse bedrijven die zich in hun land hadden gevestigd.  

Hillary, de kandidate van Wall Street 

Bernie Sanders, die bij de presidentsverkiezingen meedong naar de nominatie van de Democratische partij, was de eerste die vanuit sociaal oogpunt kritiek uitte op die vrijhandelspolitiek en de gevolgen ervan. Hij wees met een beschuldigende vinger naar de multinationals en financiële instellingen van Wall Street, en naar de rijkste klasse, de 1%, die zich verrijkt had door de Amerikaanse werkende bevolking uit te spelen tegen werknemers over de hele wereld. Sanders stelde voor de rijkdom te herverdelen. Hij wilde ook betere sociale bescherming en betere openbare dienstverlening voor iedereen. Met dat programma versloeg hij Hillary Clinton in talloze industriestaten, zoals Michigan, waar Clinton het bij de presidentverkiezingen uiteindelijk moest afleggen tegen Donald Trump. 

In de loop van de campagne zag Clinton zich genoodzaakt haar boodschap aan te passen. Steeds vaker moest ze zich uitspreken tegen de vrijhandelsakkoorden. Nochtans was zij degene die destijds als minister van Buitenlandse Zaken de TTIP-onderhandelingen opstartte, en had haar man Bill in 1994 als president zijn handtekening gezet onder het Nafta-akkoord. Hillary Clinton slaagde er dan ook niet in die kritieken te belichamen. Zij werd – terecht – gezien als iemand die vooral opkomt voor de belangen van Wall Street en van de hele leidende klasse in de VS. 

Haar tegenstander, de miljardair Donald Trump, vertrok vanuit een totaal andere visie. Ook hij maakte van de kritiek op die verdragen een kernpunt van zijn campagne. Hij viel echter de “oneerlijke concurrentie” van de Mexicanen en de Chinezen aan, en pleitte voor een agressief protectionistisch beleid dat op geen enkele manier de belangen van de 1% rijksten in gevaar brengt. Het legde hem geen windeieren. Een aanzienlijk deel van de arbeidersklasse viel voor zijn boodschap. Vooral in de gordel van industriestaten in het noorden van de VS (de “Rust Belt”) haalde hij veel van die stemmen binnen. Net het publiek dat Bernie Sanders voor zich had weten te winnen bij de Democratische voorverkiezingen. Trumps campagne tegen de vrijhandelsakkoorden verklaart voor een groot deel het verlies van Clinton.

Linkse kritiek op vrijhandel

In oktober brak in Europa de CETA-crisis uit. Ook hier bepaalden vrijhandelsakkoorden plots de debatten. De leidende klasse was er altijd in geslaagd elke vraag over het nut van vrijhandel en deregulerende handelsverdragen af te ketsen. Maar toen de Waalse en de Brusselse gewestregering op 17 oktober beide weigerden het CETA-akkoord te ondertekenen, was de stilte doorbroken. Er kwam een breed publiek debat over verdragen waar tot dan toe in het grootst mogelijke geheim over werd onderhandeld. 

Hoewel de Europese leiders het zelf een cruciaal akkoord noemden, en de onderhandelingen al in 2009 waren opgestart, had haast niemand in België al iets over CETA gehoord. Daar kwam pas verandering toen langzaam maar zeker een brede beweging van verzet werd opgebouwd. Die beweging lanceerde een petitie die in heel Europa door 3,8 miljoen mensen werd ondertekend, tweeduizend Europese steden, gemeenten en regio’s riepen zich uit tot “TTIP- en CETA-vrije zone”, in België en de rest van Europa kwamen honderdduizenden mensen op straat … 

Door de knieën

De beweging slaagde erin zowat alle lagen van de Europese bevolking te bereiken. Dat maakte de beweging zo sterk. Je ziet niet alle dagen vakbonden, kleine zelfstandigen en kmo’s, boeren, ziekenfondsen, consumentenorganisaties, klimaatactivisten, radicaal linkse partijen, ngo’s, jongeren en burgerbewegingen samen op de barricades staan. Dankzij die brede coalitie kon de beweging uiteindelijk wegen op het politieke debat. In de Waalse en Brusselse parlementen wist het verzet de democratische ruimte te veroveren, waardoor de meerderheid die het verdrag tot dan toe steunde, van gedacht veranderde. 

Helaas was het verzet van de Waalse en Brusselse regeringen van korte duur. Onder enorme druk van de Europese Unie gingen ze uiteindelijk door de knieën en ondertekenden ze het akkoord toch. Het CETA-proces had twee dagen vertraging opgelopen. Ja, er waren ook wat aanpassingen in de marge, er werd een interpretatieve verklaring aan het akkoord toegevoegd, maar het “nieuwe CETA” is helemaal hetzelfde als het oude CETA. Alle fundamenteel problematische elementen bleven bewaard: het concurrentieprincipe, de principes van deregulering, de uitzonderingsrechtbanken en de regulerende samenwerking blijven van a tot z behouden in het akkoord (zie kader). 

Is er dan helemaal niks binnengehaald? Toch wel. Het belangrijkste resultaat is dat de sociale beweging erin geslaagd is een publiek debat af te dwingen, iets wat het Europese establishment te alle prijze wilde vermijden. 

Protectionisme op zijn Trumps of echte fair trade? 

Het vrijhandelsbeleid richt steeds meer schade aan. Wat de nieuw verkozen Amerikaanse president Donald Trump daartegenover stelt, is een agressief protectionistisch beleid. Hij beloofde 35% invoerrecht aan te rekenen op producten die in China of Mexico gemaakt zijn. Zo wil hij de Amerikaanse industrie beschermen. 

Die economische visie gaat gepaard met een agressieve boodschap die rond identiteit draait: “wij” tegen “de andere”. Het is nog de vraag of Trump zijn programma wil en kan opleggen, maar we weten wel al dat herverdeling van de rijkdom en het aan banden leggen van de banken niet op de agenda staan. 

Trump schurkt aan tegen de brede volksbeweging tegen de vrijhandel – en meer algemeen tegen de neoliberale politiek –, maar zijn strategie is niets meer of minder dan een manier om het verzet om te buigen. In Europa zien en horen we trouwens hetzelfde bij het Vlaams Belang, het Franse Front National, de UKIP in Engeland en de PVV van de Nederlander Geert Wilders. 

Sociale akkoorden

Verzet tegen vrijhandels- en dereguleringsakkoorden is mogelijk zonder protectionistisch te worden, zonder te pleiten voor een terugplooien op het eigen land en zonder figuren als Trump, Wilders en Le Pen. Verzet tegen vrijhandel kan zich ook richten op eerlijke handel, of fair trade, waarbij landen met elkaar omgaan op basis van sociale vooruitgang, duurzame ontwikkeling, samenwerking en solidariteit. Dan kunnen we handelsakkoorden sluiten waarin sociale en democratische rechten fundamentele en onschendbare rechten zijn, die op geen enkele manier onderworpen mogen worden aan de economische wetmatigheden van de ‘vrije’ markt. Akkoorden die het collectieve belang vooropstellen en niet de privébelangen. Akkoorden die de openbare diensten beschermen. Akkoorden die fiscale en sociale concurrentie uitsluiten. Akkoorden die elk land de mogelijkheid bieden om strategische sectoren of bedrijven in handen van de gemeenschap te nemen, zodat het sociale en het ecologische primeert op het winstgevende. In die zin is uitwisseling op internationaal vlak absoluut noodzakelijk. Denken we maar aan uitwisseling van technologie om de opwarming van de aarde op wereldschaal te kunnen aanpakken.

In dat perspectief vinden de Europese protestbeweging tegen TTIP en CETA en de Amerikaanse beweging rond Bernie Sanders elkaar naadloos terug.