De jongeren zouden de grote winnaars – en ook de belangrijkste eisers – zijn van deze « noodzakelijke » pensioenshervorming. Men zet zo generaties tegen elkaar op: de ouderen moeten vandaag betalen voor de jongeren, die anders niet meer kunnen rondkomen.
De actuele hervormingen zouden dus in het belang zijn van jongeren. Echt? Dit lijkt ons nochtans niet het geval te zijn : niet voor de komende jaren, noch voor de verdere toekomst waar wij ons pensioen zullen opnemen.
De hervorming brengt ernstige schade toe aan onze belangen, vandaag...
Eerste element : het aantal jongeren dat werkloos is of afhankelijk is van precaire contracten. 1 op 5 jongeren zit zonder werk en 2 op 5 heeft een precair contract. Waarom moeten onze ouders langer werken, terwijl 200.000 jongeren momenteel uitgesloten zijn van de arbeidsmarkt? Hoe kunnen we een debat voeren over de verdeling van de werktijd zonder de band te onderkennen die er bestaat tussen de pensioensregeling voor ouderen en het aan het werk helpen van jongeren? Zelfs de heer J. Hindriks, van het Itinera Instituut – dat niet de gewoonte heeft zich links te profileren – bevestigde onlangs dat het uitstel van de pensionering van ouderen ook de aankomst van jongeren op de arbeidsmarkt uitstelt. En dan zegt men dat de hervorming van de pensioenen in het voordeel is van de jeugd?
Tweede element : zoveel jongeren aan hun lot overlaten, beantwoordt aan specifieke belangen. Wat is de logica om ouderen aan het werk te houden, als er geen plaats is om jongeren aan werk te helpen? Werkgevers twijfelen er niet aan om hun vrees te uiten om de verhouding tussen de actieve en de passieve bevolking te zien veranderen en zo een “salariale spanning” te ontwikkelen: als er minder werklozen zijn, is er minder concurrentie en draaien de krachtsverhoudingen bij loonsonderhandelingen uit in het voordeel van de werknemers. Een van de doelstellingen van de huidige politiek – zowel op vlak van het einde van de loopbaan als op vlak van de activering van werklozen – is dus een maximum aantal mensen op de arbeidsmarkt te zetten, waardoor zij in concurrentie geplaatst worden met elkaar. Met een maximale druk opdat zij eender welk werk aanvaarden, aan eender welk loon, op eender welk moment van de dag en op eender welke afstand van de woonplaats. En dan zeggen ze dat de pensioenhervorming een voordeel is voor de jongeren?
... en morgen
« Het is normaal dat we langer moeten werken, want we leven toch langer ? ». Een zwaarwichtig argument blijkbaar: wat zouden we kunnen inbrengen tegen de demografie ? Nochtans is het argument verre van evident. De gemiddelden verbergen in feite verschillende realiteiten.
De eerste van deze realiteiten is dat de levensverwachting afhankelijk is van ieders sociale afkomst, de levensverwachting in goede gezondheid is nog veel ongelijker. In 1994 was de kloof tussen de gezonde levensverwachting van een universitair geschoolde 11 jaar hoger dan van een ongeschoolde werknemer. In 2010 is deze kloof vergroot tot 18 jaar. Het is onaanvaardbaar dat deze verschillen, die ook de verschillen in leven en werk tussen verschillende sociale klassen weerspiegelen, zo groot zijn. En het is al net zo onaanvaardbaar dat de huidige hervormingen hier geen rekening mee houden.
De tweede van deze realiteiten is dat 3 op 4 werknemers tussen 50 en 55 jaar verschillende chronische ziektes hebben, dat 44% oordeelt dat hun arbeidsvoorwaarden hen verhindert om langer te werken en dat 49% vindt dat de werkdruk onhoudbaar is geworden. Hoe kunnen we ons geen zorgen maken over deze statistieken ? Hoe kunnen we denken dat het verlengen van de loopbanen een antwoord zal bieden op deze problemen? Hoe kunnen we, in dergelijke omstandigheden, verlangen dat mensen langer zullen werken op basis van de eenvoudige reden dat ze langer leven ?
De huidige hervormingen zullen bovendien het bedrag van de pensioenen zelf verlagen. Steeds meer mensen worden onder druk gezet om individueel te sparen voor hun oude dag. Vanaf de eerste dag dat jongeren op de arbeidsmarkt belanden, wordt hen al de vraag gesteld of zij aan pensioensparen willen doen. Waar gaat dit heen? Wat is er goed aan het individualiseren van een probleem dat nochtans collectief is en dat ons allen aangaat?
Als we de huidige logica volgen, zal de meerderheid van de jongeren van vandaag pas aan hun pensioengerechtigde leeftijd komen wanneer zij voorbij de 70 zijn, nog zieker en meer uitgeput dan de senioren vandaag al zijn. Dit allemaal voor een bedrag dat steeds lager wordt en vandaag de dag al 1 op 4 gepensioneerden tot armoede veroordeelt.
Een onmogelijke financiering ?
« Ok maar er is geen andere oplossing : het is dit of het complete failliet van ons pensioensysteem ». Men zegt ons dat de verworven rechten uit de 20e eeuw niet meer houdbaar zijn vandaag. Dus zelfs wanneer we nu tot twee keer meer rijkdom produceren dan in de jaren ’80? Waarom is het zo moeilijk om toe te geven dat het probleem niet de grootte van het stuk taart is, maar de manier waarop ze verdeeld wordt? Zonder enige twijfel omdat de uitdaging van de huidige hervorming simpelweg is deze herverdeling nog ongelijker te maken. Men zegt ons dat de leeftijdspyramide op haar kop komt te staan, dat we met steeds minder zullen zijn om te werken en om steeds meer pensioenen te betalen. Maar waarom negeren we die enorme productiviteitswinst die de laatste decennia gemaakt werd? We zouden moeten denken dat minister of expert zijn erin bestaat om slechts in een dimensie te kunnen denken. Ja, de actieve bevolking zal kleiner worden in de toekomst, maar we hebben ook de technologie in handen om ons toe te laten nog meer te produceren dan voorheen.
Tegelijk moeten we het – goed onderhouden – beeld relativeren dat er een tsunami van ouderen aan zit te komen. We mogen ons niet beperken tot het vergelijken van het aantal 65+ers met de werkende bevolking. Wat wel belangrijk is, is de vergelijking te maken tussen het aantal personen dat werkelijk aan het werk is, tot diegenen die niet aan het werk zijn (kinderen, studenten, werklozen, gepensioneerden). Vandaag de dag zijn er 100 mensen aan het werk voor 140 die dit niet zijn. Binnen 20 jaar, zal deze ratio oplopen tot 100 voor 144 en binnen 50 jaar tot 100 voor 151. Dit correspondeert met 3,8% van het BNP extra die geïnvesteerd moet worden in de pensioenen tijdens de volgende 20 jaar, zo’n 13 miljard. Dit is zeker een uitdaging, maar verre van onoverkomelijk naast de 7 miljard jaarlijkse korting op sociale bijdragen die aan het patronaat worden toegekend en de andere 8 miljard die een miljonairstaks zou kunnen opbrengen.
Een maatschappijdebat
Geen enkele sociale catastrofe, geen enkele opoffering is onoverkomelijk, indien we breken met de patronale logica die alles aan de competitiviteit laat. Het debat dat vandaag op de agenda staat, is een maatschappijdebat. Een debat dat de talrijke « evidenties » gepropageerd door de grote aandeelhouders en het poltiek establishment in vraagt durft stellen.
Het probleem is niet dat er geen middelen zijn om de pensioenkosten te financieren. Het probleem is dat dat rijkste procent van de bevolking, dat zich de laatste 20 jaar, 10% extra van het BNP toeëigende, geen middelen wil vrijmaken voor dergelijke uitgaven. Om de pensioenen te financieren en jongeren aan het werk te zetten, moeten we naar een nieuwe herverdeling van het nationale inkomen. We moeten een herverdeling van de geproduceerde rijkdommen afdwingen. De afschaffing van de kinderarbeid, de achturendag en het betaald verlof werden ook niet ook niet op een schaaltje aangeboden, het zijn overwinningen die op straat behaald werden. Door jong en oud, zij aan zij.