Na de onthullingen van de twee papa’s van Pasok eind 2009 storten de financiële markten zich als een Minotauros op Hellas. Meteen verlagen de ratingbureaus de Griekse kredietwaardigheid zodat het voor Athene duurder wordt geld te lenen. De rente op die leningen staat almaar hoger. Speculanten zetten ook in op een faillissement van het land. Ze kopen op grote schaal credit default swaps, een soort verzekeringen die veel opleveren als Griekenland zijn staatsleningen niet meer zou kunnen aflossen.
Op 15 januari 2010 dient Papandreou, in nauwe schoentjes, een eerste plan in bij de Europese Commissie. Het is het grootste besparingsplan sinds de jaren vijftig van vorige eeuw. Het Stabiliteits- en Groeipact van de EU bepaalt namelijk dat het begrotingstekort van elke lidstaat moet worden teruggebracht tot drie procent en Papandreou plooit zich naar die norm. Hij schroeft de btw en de pensioenleeftijd naar omhoog en snijdt flink in de openbare diensten. Hij belooft ook de belastingontduiking aan te pakken. De Europese instanties geven hun fiat maar tegelijk wordt Griekenland onder scherp toezicht van de Unie geplaatst.
Op 3 maart 2010 antwoordt ook het Griekse volk op dat plan van Papandreou. Die dag staat Griekenland in rep en roer. De havens, de luchthavens, de banken, radio en televisie, het onderwijs, het openbaar vervoer... alles ligt plat. Griekenland komt op straat. Het Griekse parlement moet op die dag het plan goedkeuren. Daar staan de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en het Internationaal Muntfonds op. De wil van deze “trojka” is wet. Anders komt er geen hulp: Giorgos Papakonstantinou smeekt het halfrond het draconische besparingsplan goed te keuren “om onze geloofwaardigheid op de markten te herwinnen”. Zo geschiedt.
Overal in Europa reageren de krijtstreeppakken enthousiast. De nieuwe iron lady Angela Merkel is in haar nopjes: “Wij juichen de maatregelen toe die de Griekse regering vandaag heeft genomen. Dit is een zeer belangrijk signaal aan de markt om opnieuw vertrouwen te stellen in Griekenland, maar ook in de euro.”
Liefst van al hadden Duitsland, Nederland en anderen Griekenland failliet laten gaan. Daar werd ook de bevolking voor ingeschakeld. 61% van de Duitsers is tegen elke steun aan Griekenland, schrijft de gegoede pers in die maartmaand van 2010. Tja, men heeft de Duitse gezinnen al wekenlang dagelijks gezegd dat elk gezin honderden euro’s moet ophoesten voor de Griekse redding.
Maar Duitse en andere banken zitten opgescheept met voor miljarden Grieks schuldpapier. En niet alleen de banken zijn kwetsbaar, ook verzekeraars en pensioenfondsen zitten met die beleggingen. Er is daarbij het risico dat een domino-effect ook andere zwakke eurolanden zoals Ierland, Portugal of Spanje zou doen omvallen. Dat zou een catastrofe zijn. En dus groeien de plannen voor een Europees reddingspakket.
De lente van 2010 brengt geen kentering, de positie van Griekenland op de kapitaalmarkt blijft verslechteren. Eind april 2010 stuurt Giorgos Papandreou van op zijn vakantie-eiland Kastelorizo een noodsignaal uit. De situatie is zo penibel dat hij de Europese Unie op zijn blote knieën om nieuwe leningen smeekt. Jean-Claude Trichet van de Europese Centrale Bank, Dominique Strauss-Kahn, op dat moment de topman van het IMF, en José Manuel Barroso eisen eerst verdere draconische besparingen. “Laat de modale Griek opdraaien”, is de eis van de trojka. Daar zal het netwerk van de familie Latsis en andere steenrijke Hellenen niet vreemd aan zijn.
Intussen vliegen functionarissen van IMF, EU en ECB naar Athene om het verscherpte toezicht concreet te maken. Op 2 mei legt Papandreou een nieuw soberheidspakket voor. Een pakket van bloed en tranen. Lonen in de openbare dienst worden gemiddeld met 10 procent verminderd. De btw gaat verder omhoog. De lonen voor overuren worden afgeslankt, de premies voor Pasen, Kerstmis en vakantiedagen in de openbare dienst gekortwiekt, ook voor alle gepensioneerden. Je moet voortaan 40 jaar hebben bijgedragen, in plaats van 37, om recht te hebben op een volledig pensioen. Ook wordt het pensioen voortaan berekend op basis van de laatste tien werkjaren in plaats van de vijf best betaalde werkjaren voorheen. Daardoor gaat het pensioen voor de meeste mensen fors naar beneden. Het minimumloon zakt naar 592 euro. Drie dagen later, op 5 mei, organiseren de vakbonden een algemene staking, de derde al in enkele maanden. Papandreou houdt het been stijf.
Algauw voelt Irini de gevolgen. Zij is negenentwintig en lerares: “Vandaag is mijn loon op mijn bankrekening gestort. Voor het eerst is het een ander bedrag, door de maatregelen van Papandreou. Ik heb uitgerekend dat ik jaarlijks meer dan een maandinkomen moet inleveren. Het is ongelooflijk dat het onderwijs zo wordt getroffen. Waarom pakt Papandreou andere sectoren niet aan? De rijke reders bijvoorbeeld? Moeten die dan niets bijdragen?”
Het liefst van al hadden Duitsland, Nederland en anderen Griekenland failliet laten gaan
Kleuterleidsters, stewardessen, boeren, bankbedienden, bouwvakkers, verkoopsters en gepensioneerden laten inleveren voor een crisis die zij niet veroorzaakt hebben, om het vertrouwen van de financiële markten te winnen? Het gaat heel wat mensen het petje te boven. Ingeborg Beugel maakt de optelsom: “Een leraar verdient na de eerste bezuinigingsronde van 2010 gemiddeld nog 800 euro per maand. Daarvan gaat 500 euro naar huur en andere vaste lasten. Je houdt 300 euro over om van te leven. Aan een gezin kun je als leraar bijna niet beginnen. En wat moet je als kleuterleidster of stewardess met een salaris van 650 euro per maand?”
En toch, ondanks de sociale kaalslag blijft de aanval van de financiële markten op Griekenland aanhouden. De sfeer in Brussel is koortsachtig, begin mei 2010. Het wemelt van beraadslagingen en telefoontjes. “We zitten in een situatie zoals na de val van Lehman Brothers”, het klinkt als een alarmkreet, die vrijdag 7 mei op de Europese top van staatshoofden en premiers. “We moeten een akkoord hebben voor de Aziatische beurzen maandagochtend opengaan.” De top legt ’s avonds de grote lijnen vast. Een buitengewone vergadering van Europese financieministers moet nog datzelfde weekend de concrete uitwerking ervan waarmaken. Op de valreep, iets voor twee uur in de ochtend van maandag 10 mei, komt het definitieve resultaat uit de bus.
Voorzitter Jean-Claude Trichet van de ECB houdt zich die maandagochtend om kwart over drie ondanks de vermoeidheid sterk. Hij laat in een bondige verklaring weten dat de Bank zal overgaan tot het opkopen van staatsobligaties van “probleemlanden”. Voor liberale ultra’s is dat een doodzonde. Zij vinden dat centrale banken niet mogen tussenkomen in begrotingsproblemen, ook de ECB niet. Het gebeurt dus toch.
De ECB zal de dubieuze schuldpapieren van de “probleemlanden” niet rechtstreeks opkopen bij de overheden maar wel op de “secundaire markt”, bij de banken dus. Zo kunnen die zich van hun rommelpapieren ontdoen in ruil voor geld dat de ECB laat bijdrukken. De ECB wordt daardoor een bad bank, zoals de Amerikaanse Fed dat ook al is.
Het tweede besluit van de meitop is dat de eurolanden voor een gezamenlijk noodfonds zullen zorgen, de European Financial Stability Facility. Deze EFSF, een nv, kan leningen verstrekken aan landen in nood die op de financiële markten geen haalbare leningen meer kunnen afsluiten. De EFSF zal die leningen gebundeld als obligaties op de markt brengen. Het woord “euro-obligaties” kan hier niet vallen want de lidstaten geven niet rechtstreeks krediet aan het land in moeilijkheden. Dat doet de EFSF. De lidstaten staan borg voor die kredieten. De Commissie en de ECB stellen het voor alsof de EFSF een instrument is om de “probleemlanden” bij te springen. In feite moet de EFSF vooral verhinderen dat die landen al te snel failliet gaan want dan zouden de grootbanken met het rommelpapier van die landen enorme verliezen incasseren.
De EU zet in de begindagen van mei ook het “Grieks reddingspakket” van 110 miljard euro op punt. De voorwaarde voor het pakket is: de macht in Athene wordt overgedragen aan de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en het IMF, dat mee financiert. Vier keer per jaar brengt deze trojka een rapport uit over de voortgang van de hervormingen en besparingen. Zonder die voortgang gaan leningen niet door.
Naast Trichet speelt nog een andere bankier – zij het achter de schermen – een hoofdrol in die drukke meidagen van 2010: Josef Ackermann, de topman van Deutsche Bank. Dat is, voor een goed begrip, een privébank. Een van de grootste ter wereld. Ackermann houdt, zoals in Duitsland wordt gezegd, “altijd de tweecijferige rendementen voor zijn bank vast in het vizier”. Griekenland heeft gevaarlijk veel miljarden uitstaand krediet bij de Europese grootbanken, vooral in Frankrijk en Duitsland. Als Griekenland failliet gaat, zien zij van hun geld niets terug. En dus ijveren ze voor een reddingsplan. Beter nog, zij schrijven dat reddingsplan zelf. Ackermann heeft die taak op zich genomen. Het is “een berekend spel met de tijd”, schrijft de Duitse openbare omroep ARD op zijn webstek.
De omroep kondigt daarmee een opmerkelijke tv-reportage aan van Monitor, het Duitse Panorama. Titel: Teure Griechenland-Rettung: ein geschickter Coup der Deutschen Bank? Vertaling: Dure Griekse redding, een handige coup van Deutsche Bank? De Duitse kijker krijgt even een blik achter de schermen.
Jazeker, in de storm van de financiële crisis in 2008 had iedereen beloofd dat het anders zou worden. De overheid zou opnieuw onafhankelijk regeren en niet langer naar de pijpen van bankiers en speculanten dansen. Maar zodra de storm een beetje was gaan liggen, hernam het leven zijn gewone gangetje. En in dat leven dicteren de Ackermannen de wet. Bij het dreigende Griekse failliet in het voorjaar 2010 komt het er voor Ackermann vooral op aan tijd te winnen. Hij pendelt tussen Berlijn, Frankfurt en Athene en zoekt regelmatig de Duitse financieminister Schäuble op om een reddingspakket in de steigers te zetten. De bankdirecteur die de minister van Financiën de les spelt. Democratie, allemaal goed en wel, maar als het er echt op aan komt, bepaalt Deutsche Bank de wet. Monitor toont hoe Ackermann een zware hand in het “reddingsplan voor Griekenland” had. Dat plan moet vooral dienen om tijd te kopen. Tijd waarin Europese banken en verzekeraars massaal hun Griekse belangen van de hand kunnen doen. De uitzending van de ARD besluit dan ook dat het reddingspakket “voornamelijk gebruikt wordt om de Europese banken terug te betalen, en niet om Griekenland zelf op de been te houden.”
Dat de ECB voortaan op de secundaire markt – bij de geldhuizen dus – obligaties van schuldenlanden gaat opkopen is daarbij een fameuze steun in de rug. Bankvertegenwoordigers in de Londense City berichten daags na de top, op maandag 10 mei, dat geldinstituten rommelleningen vooral uit Griekenland, Portugal en Ierland afgeven aan de centrale banken van Duitsland en Frankrijk om in ruil gezonde Duitse of Britse staatsleningen te kopen.
De Duitse banken hadden eind april 2010 nog voor 16 miljard Griekse leningen lopen, in februari 2011 is dat gereduceerd tot 10 miljard. Daarvan nog 1,6 miljard in de portefeuille van Deutsche Bank. De Franse banken konden minder versassen: zij zitten in februari 2011 nog met bijna 17 miljard Griekse leningen opgescheept. In ons land zit vooral Dexia dan met haar neus nog diep in Grieks rommelpapier: voor 5 miljard euro.
Het gezond verstand zegt dat de enorme bezuinigingen en de verplichting tot aflossen van de staatsschulden Griekenland alleen maar dieper in de crisis zullen duwen. De bestedingen zullen – met een overheid die minder uitgeeft en met de inkomens van de Grieken op een dieptepunt – verder stilvallen. Je moet geen groot economisch wonder zijn om dat te begrijpen. Als een volk verarmt, kan het minder kopen.
De investeerders vluchtten weg. In 2010 kelderde de Griekse import in één ruk met een vijfde tegenover het jaar voordien. Sinds 2008 daalde ook de Belgische uitvoer naar Griekenland met een kwart.
Ondertussen bleef het verzet in Griekenland groeien. In 2009 had de Griekse overheid de exploitatie van de nationale wegen uitbesteed aan privéfirma’s. Die voerden dure wegentaksen in, heel dikwijls zonder dat er parallelle wegen waren als alternatief. Op en neer tussen Athene en Thessaloniki bijvoorbeeld kostte voortaan 45 euro. De mensen reageerden boos en er kwamen wij-betalen-nietcomités. De activisten van die volkscomités trokken fluorescerende oranje veiligheidshesjes aan, gingen naar de péages, openden de roodwitte slagbomen en lieten de automobilisten door. Op hun hesjes stond geprint: “Totale Ongehoorzaamheid!” Op hun spandoeken: “We betalen niet” en “We geven geen geld aan buitenlandse bankiers!” Automobilisten reden dankbaar door, met de duim omhoog. Begin 2011 weigerden vier op de tien automobilisten de wegentaks te betalen, op sommige plaatsen al acht op tien.
Zo start het nieuwe jaar 2011. Terwijl de mensen zich organiseren, devalueren de ratingbureaus de kredietwaardigheid van Griekenland tot het absolute niets, de junkstatus. Ze gaan ervan uit dat Griekenland niet in staat zal zijn de leningen terug te betalen. Doen inleveren, de pensioenen kortwieken, de publieke dienst op droog zaad zetten, vaste banen ontmantelen, op het vakantiegeld beknibbelen en de btw verhogen... het heeft allemaal tot niets gediend. De leningen voor Griekenland worden nog duurder, zo beslissen de ratingbureaus. Weer ontstaat paniek op de financiële markt. Ja, de Duitse en Franse banken hebben al veel slecht Grieks papier van de hand kunnen doen maar ze zitten toch nog met voor miljarden obligaties die nu tot totale rommel zijn gedegradeerd.
Op 13 juni brengt de Financial Times het bericht dat een consortium van grootbanken er in een schrijven aan de geplande Europese top bij de excellenties op aandringt dat de EU zichzelf zou verplichten tot “een buy-back van de schuld, zo mogelijk met miljarden overheidsgeld”. “Zonder snelle actie”, zo waarschuwt het consortium, “kunnen landen als Spanje en Italië wel eens zwaar naar beneden worden getrokken.” We lezen dat goed: voor de grootbanken gaat het niet meer om Griekenland alleen maar vooral om het domino-effect dat een Grieks faillissement kan veroorzaken.
In Trends schrijft hoofdredacteur Johan Van Overtveldt: “Je kunt hier subtiel over doen maar eigenlijk chanteren de banken de overheden: Koop die schuld van ons terug of wij dumpen het hele zootje en dan is het gedaan met de euro.” Deze grootbanken deinzen er niet voor terug de hele Europese Unie in een houdgreep te nemen. Toen het in 2008 misliep door de Amerikaanse rommelkredieten in de portefeuille van die grootbanken, moesten de nationale overheden bijspringen. Nu het in 2011 misloopt met de staatsobligaties van Griekenland, Portugal, Italië, Ierland en Spanje, eisen dezelfde banken nog maar eens dat de overheid – en dus de belastingbetaler – bijspringt en de staatsobligaties overneemt.
Op 21 juli 2011, op de natte nationale feestdag van ons land, komt de Europese Raad samen, met in de coulissen het puik van de Europese bankiers. Die top bereikt een vage deal. Er komt voor 109 miljard euro nieuwe financiering “voor Griekenland”, plus een looptijdverlenging voor deze leningen tot 15 à 30 jaar. De banken zullen daar “op vrijwillige basis voor 37 miljard euro” aan bijdragen. In ruil wordt de greep van de trojka op het land nog sterker: er komt een taskforce om “een nieuwe impuls te geven aan de Griekse economie”.